Werken & Neurofibromatose 1

“Mijn baas gaf mij alle ruimte om te revalideren” - Adrie Putman

Adrie Putman (59 jaar) werkt 22 jaar als productiemedewerker bij Arendsen Staalbouw BV, een bedrijf dat allerlei stalen constructies maakt, van trappen tot fabriekshallen. Hij stelt de producten samen en hecht de onderdelen met speciale lasapparatuur aan elkaar. Een mooi vak, bij een goed bedrijf, zo ervoer hij de afgelopen jaren waarin hij twee keer langdurig uitviel.

Putman heeft vanaf zijn geboorte de erfelijke aandoening Neurofibromatose 1, een ziekte waarbij zich onder meer gezwellen (neurofybromen) vormen op zenuwen. In 2007 knapte er een hoofdslagader, doordat een neurofybroom zich ‘door het bloedvat had heen gevreten.’ ‘Het is een verschijnsel dat zelden voorkomt. In mijn geval leidde het er - mede door complicaties - toe, dat ik een jaar uit de running was. Daarna ben ik weer langzaam aan het werk gegaan.’

Ruimte

Om zo snel mogelijk in het ritme te komen, hervatte Putman zijn werk bewust in de ochtenduren. ‘Mijn baas gaf mij alle tijd en ruimte om te revalideren. Toen ik weer wilde beginnen, adviseerde hij om het rustig op te bouwen en alleen te doen wat ik aankon. Als iets niet ging, moest ik het hem laten weten.’ Dankzij deze houding was het voor Putman niet moeilijk om volledig open kaart te spelen en niets te forceren. ‘Als het mij niet lukte om zware dingen te tillen, of als ik een machine niet goed kon aanzetten, vroeg ik een collega om even te helpen. Mijn collega’s waren goed door mijn baas geïnformeerd, dat hielp natuurlijk ook. Zij gaven mij de ruimte om rustig aan te beginnen en als ze zagen dat mij iets niet lukte, boden ze hulp aan.’ Een enkeling maakte weleens een foute opmerking, maar dat negeerde Putman gewoon. ‘Er zit geen pleister op mijn arm, het zit aan de binnenkant. Dat is weleens lastig; mensen moeten geloven dat je wat mankeert.’

Contact houden

Contact houden met je werk, is volgens Putman de sleutel voor succesvolle re-integratie. ‘Ik heb steeds contact gezocht met mijn baas en collega’s. Eerst alleen telefonisch, en later ging ik regelmatig op vrijdagmiddag even naar het werk. Dan stoppen we wat eerder en drinken we gezamenlijk koffie. Je moet natuurlijk niet langs komen als iedereen vol aan het werk is, daar zou ik zelf ook een stinkende hekel aan hebben. Zo wist iedereen precies hoe het met mij ging en hadden mijn collega’s er begrip voor dat ik in het begin veel meer tijd nodig had voor een klus.’

"Zo'n baas vind ik nooit meer"

Vorig jaar viel Putman opnieuw ruim een halfjaar uit. In dat jaar kreeg zijn zoon een hersentumor, waaraan hij overleed. Daarna kampte zijn vrouw met ernstige darmproblemen. ‘Ook toen informeerde ik mijn baas steeds over wat er in mijn gezin aan de hand was. Hij gaf mij opnieuw alle ruimte, dit keer om voor mijn gezin te zorgen. Zo’n baas vind ik nooit weer.’

Putman adviseert als vrijwilliger andere patiënten over re-integratie. Hij vindt dat dit een gezamenlijke verantwoordelijkheid is. ‘Als werknemer moet je je collega’s en chef de kans geven om je te helpen. Vertel wat je beperkingen zijn; zeg eerlijk dat je tijdelijk je quotum niet kunt halen of dat je een andere stoel of werkplek nodig hebt. Dan weten ze hoe ze je kunnen helpen. Hoe idealer je werksituatie is, des te beter werk je kunt leveren. Als je vertelt wat je nodig hebt, is dat dus goed voor jou én voor je baas.’ Het advies van Putman voor werkgevers en collega’s is om medewerkers met een beperking te accepteren en samen te zoeken naar slimme oplossingen. Ondanks alles wat hij heeft meegemaakt, heeft Putman plezier in zijn werk en het dagelijkse contact met collega’s. ‘Samen lachen om een goede grap, echt lachen, dat is geneeskrachtig.’